Aantoonbaar Herinvesteringsvoornemen: Essentieel voor het vormen van een HIR

Een recente uitspraak van Rechtbank Gelderland onderstreept opnieuw het belang van een aantoonbaar herinvesteringsvoornemen bij het vormen van een herinvesteringsreserve (HIR). Zonder concreet bewijs van dit voornemen is het vormen van een HIR niet toegestaan.

De casus

In 2018 verkoopt een vennootschap een pand met een boekwaarde van nihil voor € 290.000. De volledige boekwinst wordt toegevoegd aan een HIR. Drie jaar later, in 2021, wil de vennootschap de HIR laten vrijvallen omdat de herinvesteringstermijn is verstreken. De Belastingdienst stelt echter dat de HIR in 2018 niet had mogen worden gevormd: er zou nooit sprake zijn geweest van een herinvesteringsvoornemen. De inspecteur corrigeert de winst over 2018 met € 290.000. De vennootschap gaat in beroep.

Herinvesteringsvoornemen mag later reëel worden

De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat een HIR ook mag worden gevormd als het herinvesteringsvoornemen pas ná het jaar van vervreemding, maar binnen de driejaarstermijn, realiseerbaar wordt. Voor de vorming van een HIR is niet vereist dat er direct een concreet plan of financiering aanwezig is. Wel geldt dat het voornemen reëel moet zijn: als redelijkerwijs niet te verwachten is dat herinvestering binnen drie jaar plaatsvindt, vervalt de HIR.

Bewijs kan ook achteraf geleverd worden. Documenten en feiten die zich na de balansdatum voordoen, kunnen aanwijzingen geven over het voornemen op die datum. De Hoge Raad vernietigde in een eerdere zaak de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden en benadrukte dat het ontbreken van stukken in het jaar van vervreemding niet automatisch betekent dat er geen herinvesteringsvoornemen was.

Praktische tips voor ondernemers

  • Leg uw voornemen schriftelijk vast: notulen, directiebesluiten, communicatie met makelaars en offertes.
  • Bewaar bewijs van acties: biedingen, e-mails, afspraken.
  • Toets realiteitsgehalte: is herinvestering binnen drie jaar haalbaar?

Bij Voorwaarts Belastingadviseurs helpen wij u met het opstellen van een solide strategie, documentatie en fiscale planning rondom herinvesteringen. Wilt u zekerheid over uw HIR? Neem contact op voor een vrijblijvend adviesgesprek.

Wettelijke basis: artikel 3.54 Wet IB 2001 en artikel 8 Wet Vpb 1969
Bron: Rechtbank Gelderland, 1 april 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:2509),
Hoge Raad 21 oktober 2022, (ECLI:NL:HR:2022:1507, 20/03362)

Scroll to Top